dinsdag 28 september 2010

Over spelling: Zie je nou wel dat ik niet dom ben!


“Zie je nou wel dat ik niet dom ben.” Zo begon ik jaren geleden een presentatie tijdens een studiebijeenkomst voor bibliotheekmedewerkers. Ik was gevraagd als ervaringsdeskundige omdat ik al jaren mijn zoon begeleidde bij het overwinnen van de problemen die door dyslexie werden veroorzaakt. Hij zei het toen de dyslexieverklaring met de post kwam en we deze gezamenlijk lazen. Op het moment van de studiebijeenkomst zat hij in de brugklas en stond op het punt naar het gymnasium te gaan, vastbesloten om kennis te maken met de taal en cultuur van de oude Grieken en Romeinen, ook al wist hij dat het niet van een leien dakje zou gaan.

De jaren op de basisschool heeft hij enorm geleden onder het stempel ‘dom’ terwijl hij alleen maar moeilijk las en voorlas en er verder niets aan zijn verstand mankeerde. De vermeende domheid knaagde aan zijn zelfvertrouwen.
Mijn werkgeefster in de boekhandel had een dyslectische dochter die getraind werd met behulp van de methode van Ron Davis, een Amerikaanse beeldhouwer die in zijn jeugd ook leed onder de kwalificatie ‘dom’ en later merkte dat hij door te werken met klei zijn vaardigheden kon be├»nvloeden. In de boekhandel verkochten en promootten we het boek en de methode. Met het boek als leidraad ging ik met mijn zoon aan de slag. Het begon met een wat zweverige, maar wel nuttige oefening om het helikoptertje boven zijn hoofd te vinden dat voor focus zorgde. Vervolgens gingen we kleien, met een bepaald soort klei, die zacht maar stevig bleef. Eerst maakte hij het alfabet. Daarna begrippen waarvan hij de woorden steeds over het hoofd zag, zo’n beetje als het meisje in het ervaringsverhaal van een deskundige. We werkten gestaag en met het beoogde resultaat.

Het hebben van een dyslexieverklaring gaf hem in het voortgezet onderwijs recht op extra tijd bij toetsen en de eerste anderhalf jaar extra lessen Nederlands, waardoor hij een hele goede grammaticale basis kreeg. In de jaren erna ontpopte hij zich tot een redacteur van gezamenlijke werkstukken waarbij hij er moeiteloos spellingfouten en grammaticale fouten uit viste. Maar ook al heeft hij de grootste moeilijkheden overwonnen, hij moet altijd veel meer moeite doen om teksten meester te worden dan anderen en er blijven blinde vlekken. Vorig jaar zag ik bij toeval dat er in zijn Twitterbio ‘achtien’ stond. Een kniesoor die er op let, maar hij heeft het toch verbeterd.

Als geen ander weet ik hoeveel pijn het kan doen om er voortdurend in het openbaar door anderen op gewezen te worden dat je in je taalgebruik of taalkennis tekortschiet. Vandaar mijn bemoeienis achter de schermen als ik opvallende fouten in online publicaties zie. Over tweets val ik niet omdat die zo vluchtig zijn dat het nut van verbeteren zeer gering is. Het blijft niet dagen in beeld en met die pietepeuterige kleine toetsjes op de mobiele telefoon maak ik zelf ook regelmatig fouten die ik later niet zie omdat de tekst al lang uit beeld is. Ik heb bovendien helemaal niet de behoefte om te laten zien hoe goed ik ben in spelling, want ook ik moet regelmatig iets opzoeken. Bedenkt u dit eens eer u publiekelijk en soms zelfs in hoofdletters op andermans taalfouten wijst. Iets meer mededogen graag.
De column van Aleid Truijens in de Volkskrant van 28-09-2010 onderstreep ik dan ook van harte. Mensen die niet door dyslexie of andere leerhandicaps gehinderd worden en toch fouten maken hebben de grammatica en het spellen vaak slecht onderwezen gekregen en hun kan dus ook niet zoveel verweten worden. Het is niet erg, al kan het beter, mooier. Helpen kunnen we, maar dan liever niet zo luidruchtig!